Banner

Meer informatie

Op deze pagina wordt antwoord gegeven op de volgende vragen:

Wat is de eural?

Op de startpagina is al aangegeven dat de eural een afkorting is van de Europese afvalstoffenlijst. Zoals de naam al doet vermoeden, is deze in Europees verband vastgesteld. De Engelse benaming is European Waste Catalogue (EWC).

Het is in Europa ingevoerd bij beschikking van 3 mei 2000, met kenmerk 2000/532/EG. Bij beschikking van 18 december 2014, met kenmerk 2014/955/EU, is het de laatste keer gewijzigd. In Nederland is de eural geïmplementeerd via de Regeling Europese afvalstoffenlijst.

Naar boven

Waarom een eural?

De eural zorgt voor een Europese standaardisatie in de codering en omschrijving van afvalstoffen. Ook zorgt het voor een gelijke beoordeling van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen in Europa.

Naar boven

Hoe herken ik gevaarlijk afval?

In de eural ga je op zoek naar een representatieve euralcode. Dat is een zescijferige code die je in de volgende varianten kunt tegenkomen:

  1. een euralcode met asterisk (*). Dit is een gevaarlijke afvalstof
  2. een euralcode zonder asterisk (*). Dit is een niet gevaarlijke afvalstof
  3. een euralcode met of zonder asterisk en een 'c' achter de code. Hier gaat het om een zogenaamde complementaire afvalstof. Je moet dan nog kiezen tussen een de gevaarlijke en niet-gevaarlijke variant. Dat doe je door het bepalen van de samenstelling van het afval en de gevaarseigenschappen die daarbij horen.

Naar boven

Hoe bepaal ik de juiste euralcode?

De eural heeft 20 hoofdstukken. Die zijn vooral gericht op de herkomst van het afval (hoofdstuk 1 t/m 12 en 17 t/m 20). Maar er zijn ook hoofdstukken die gericht zijn op een afvalsoort (hoofdstuk 13, 14 en 15). Tot slot is er nog een hoofdstuk met 'Niet elders genoemd afval' (hoofdstuk 16).

In de eural bepaal je de euralcode bij voorkeur op basis van de herkomst van het afval. Dat uitgangspunt bepaalt dan ook de zoekvolgorde, die daardoor niet logisch lijkt.

Het kan zijn dat je tijdens het zoeken uitkomt op een euralcode dat eindigt met '99'. De eural schrijft dan voor dat je die code pas in het uiterste geval gebruikt. eerst doorzoeken in de overige hoofdstukken dus. Deze website helpt je bij het toepassen van de juiste zoekvolgorde.

Onderstaand schema toont de juiste zoekvolgorde. Klik op de afbeelding om het te vergroten.

Zoekvolgorde

Naar boven

Wat is een complementaire afvalstof?

Voor een complementaire afvalstof kun je niet eenduidig bepalen of het gevaarlijk afval is, of juist niet. Je hebt meer informatie nodig over de samenstelling ervan. En de gevaarseigenschappen van de stoffen die in het afval aanwezig zijn.

Naar boven

De afvalstof is complementair, wat nu?

Je moet een keuze maken tussen een euralcode met (gevaarlijk) en euralcode zonder * (niet-gevaarlijk). Je hebt hiervoor meer informatie nodig. Is die informatie er niet? Dan ga je uit van een worst-case scenario. Gevaarlijk afval, dus euralcode met *. Weet je wel iets over het vlampunt? Als die onder de 55 ℃ is, kies je ook de euralcode met *. Gevaarlijk afval dus.

Is het vlampunt boven de 55 ℃ en weet je meer van de samenstelling van het afval, bijvoorbeeld door monstername en/of analyse? Dan gebruik je de informatie over de samenstelling van het afval. Het is dan van belang om te weten welke stoffen in de afvalstof aanwezig zijn en in welke concentratie (in gewichtsprocenten). Je bepaalt vervolgens welke gevaarseigenschappen bij de in het afval aanwezige stoffen horen. Hiermee toets je vervolgens of je boven de grenswaarden uit bijlage III van de Kaderrichtlijn afvalstoffen uitkomt.

Naar boven

Hoe werkt dat met de gevaarseigenschappen?

De gevaarseigenschappen zijn opgenomen in bijlage III van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Die bijlage is gebaseerd op de CLP-verordening (EG) 1272/2008. De CLP stelt regels voor het indelen (classification), etiketteren (labeling) en verpakken (packaging) van gevaarlijke stoffen. Deze CLP-verordening gebruikt H-waarden om de gevaren van stoffen aan te duiden. De H is een afkorting van Hazard.

De Kaderrichtlijn afvalstoffen bundelt de H-waarden en maakt er HP-criteria van. Zo vallen H340 en H341 onder het HP-criterium HP 11 (Mutageen). In de afbeelding hieronder zijn alle HP-criteria weergegeven (klik erop om te vergroten).

gevaarseigenschappen

Het is de bedoeling dat je voor de in het afval aanwezige stoffen de bijbehorende gevaarseigenschappen (H-waarden) opzoekt. Die vertaal je vervolgens naar HP-criteria. Als je dat hebt gedaan, kun je op basis van de concentraties kijken of er stoffen zijn die boven de concentratiegrenswaarden uitkomen. Zit je erboven? Dan kies je voor de euralcode met * (gevaarlijk afval). Blijf je eronder, kun je voor de euralcode zonder * kiezen (niet-gevaarlijk afval).

Overigens gelden voor niet alle HP-criteria concentratiegrenswaarden. Zo moet bijvoorbeeld het afval voor HP 1 (ontplofbaar) getest worden. Dat geldt ook voor HP 2 (oxiderend), HP 3 (ontvlambaar) en HP 12 (afgifte van acuut toxisch gas).

Naar boven

Welke eisen zijn er voor monstername?

De Regeling europese afvalstoffenlijst schrijft voor dat de bemonstering volgens de volgende normen moet plaatsvinden:

  • afgewerkte olie volgens NEN-EN-ISO 3170 – Vloeibare aardolieproducten – handmatige monsterneming, februari 2004
  • olie uit elektrische uitrusting volgens NEN-EN-IEC 60567 – Met olie gevulde elektrische uitrusting – Bemonstering van gassen voor de analyse van vrije en opgeloste gassen – Leidraad, januari 2012
  • bitumen en teerproducten volgens NEN 3940 – Bitumen- en teerprodukten – Monsterneming, maart 1982
  • asbest in afval en recyclinggranulaat volgens ontwerp NEN 5897, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopaval en recyclinggranulaat, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017
  • de overige afvalstoffen volgens NVN 5860 – Afvalstoffen – Bemonstering van afval, november 1999

De monsters moeten als volgt worden voorbehandeld:

  • monsters die worden ontsloten voor de bepaling van elementen worden behandeld volgens ontwerp NEN-EN 13657 – Karakterisering van afval – Ontsluiting voor de bepaling van in koningswater oplosbare elementen, november 2002
  • monsters ter bepaling van overige organische en anorganische stoffen worden behandeld volgens NVN 5870 -0 Afvalstoffen – Analyse van afvalstoffen – Monstervoorbehandeling voor de bepaling van het gehalte aan organische en anorganische parameters, februari 1998

Naar boven

Welke eisen zijn er voor analyse?

De Regeling europese afvalstoffenlijst schrijft voor dat de analyse volgens de volgende normen moet plaatsvinden:

  • het totaal PCB-gehalte in afgewerkte olie geschiedt volgens NEN-EN 12766-1 – Aardolieproducten en gebruikte oliën – Bepaling van polychloorbifenylen (PCB) – Deel 1: Scheiding en bepaling van geselecteerde PCB-soorten met gaschromatografie (GC) met gebruik van een elektronen-invangdetector (ECD) – Deel 1, maart 2000 en wordt berekend volgens NEN-EN 12766-2 – Aardolieproducten en gebruikte oliën – Bepaling van PCBs en verwante producten – Deel 2: Berekening van het gehalte van polychloorbifenylen (PCB's), augustus 2001
  • olie uit elektrische uitrusting volgens NEN-EN-IEC 60567 – Met olie gevulde elektrische uitrusting – Bemonstering van gassen voor de analyse van vrije en opgeloste gassen – Leidraad, januari 2012
  • het EOX-gehalte in afgewerkte olie geschiedt volgens NEN-EN 14077 – Aardolieproducten – Bepaling van het organisch halogeen gehalte – Oxidatieve microcoulometrische methode, januari 2004
  • overige stoffen geschiedt volgens NEN 5878 – Milieu – Onderzoek van fysische en chemische parameter in onbekende vaste en vloeibare monstermatrices, september 2006

Naar boven